| |
Lakenindustrie
in Vlaanderen en in andere kustgebieden van de Lage Landen
top
Hier hielden de bewoners van oudsher al schapen. De wol werd verwerkt
tot kleren en dekens. In de 3e eeuw schreven Romeinen al over de kwaliteit
van de mantels uit Doornik en Atrecht. In de 11e eeuw beleefde de lakenindustrie
haar opgang, met Atrecht als koploper, en op het eind van de eeuw stonden
steden verder noordwaarts in het graafschap voorop bij de ontwikkeling
(Rijsel, Dowaai en Sint-Omaars).
Halverwege
de 13e eeuw waren Ieper, Brugge en Gent het meest bekend. Iedere stad
probeerde in een of andere specialiteit of variëteit uit te blinken.
De kruistochten zorgden ervoor dat het Vlaams laken bij heersers en
de hoge adel van vele landen bekend raakte. De inventaris van een koning
van het Koninkrijk Napels uit die tijd vermeldt lakens uit Aalst.
De beste wol kwam uit Engeland. Er ontstond een intense handel over
het Kanaal. Die afhankelijkheid van de Engelse wol brak de Vlamingen
vaak zuur op in hun relatie met hun leenheer, de Franse koning, die
het vaak aan de stok had met de Engelsen. Ze kozen dan ook partij voor
de Engelsen bij het uitbreken van de Honderdjarige oorlog, om de wolinvoer
veilig te stellen. Engelse koningen aarzelden niet om de uitvoer tijdelijk
te boycotten om hun zin te krijgen. Jan zonder Land hief een accijns
op de uitgevoerde wol en Edward III kreeg te maken met ontevreden wolexporteurs
toen hij de export verbood. Veel Vlaamse steden getuigen nog van de
welvaart die de lakenindustrie bracht.
Lakenindustrie in Gouda top
Gouda bezat in de 14e eeuw een belangrijke lakenindustrie en -handel.
In 1331 en 1338 worden al vermeldingen aangetroffen van volders' en
'ververs'. Zodat er toen, maar waarschijnlijk al eerder, in Gouda laken
werd geweven. De oudste keuren die bekend zijn dateren van 1391. Dat
geeft aan dat er toen sprake was van een belangrijke tak van nijverheid.
In de loop van de 15e eeuw beleefde de Goudse lakenindustrie haar grootste
bloei, al was deze nooit zo belangrijk als die van Leiden. In de 16e
eeuw brak er een moeilijke periode aan. Door oorlogen was de aanvoer
van wol en de handel in laken moeilijk geworden.
Na de val van Antwerpen in 1585 namen Vlaamse arbeiders hier hun intrek.
De Vlamingen mochten in Gouda hun werk volgens de keur van Brugge verrichten,
in Leiden was hen dat verboden. Er werden hen daarvoor zelfs enige gebouwen
van het Maria-Magdalena klooster ter beschikking gesteld en werkplaatsen,
compleet met ovens, werden ingericht. Daarmee verbeterde de toestand
zich weer enigszins. De Vlamingen vervaardigden namelijk een lichtere
kwaliteit en daarmee goedkopere stof. Deze beter concurrerende producten
gingen vooral naar de landen in het zuiden van Europa. Omstreeks 1620
was de Goudse lakenindustrie tot de belangrijkste plaatselijke nijverheid
uitgegroeid.
Lakennijverheid in het algemeen top
Laken was - vanwege het nogal gecompliceerde productieproces - min of
meer een luxeproduct. Dit had tot gevolg dat de lakennijverheid al vrij
spoedig een zaak van gespecialiseerde ambachtslieden werd, terwijl een
groot deel van de plattelandsbevolking zich nog kleedde in huisgesponnen
en huisgeweven stoffen.
De lakennijverheid had de neiging zich in bepaalde gebieden te concentreren,
zoals Noord-Frankrijk, Vlaanderen en Holland. Dit waren overigens zeker
niet de enige productiecentra. In Italië, bij voorbeeld, was Florence
een belangrijk centrum van lakennijverheid.
Productiewijze
top
* De ruwe wol werd ingekocht en aangevoerd. Aanvankelijk binnenlands
maar later vooral uit Engeland en Schotland.
* De wol werd, na een uitgebreid was- en kamproces, geverfd en tot draden
gesponnen. De volgende verfstoffen werden hiertoe gebruikt: wouw voor
gele verfstof, Wede voor blauwe verfstof, lakmoes, aluin, en sandelhout.
* De drapenier, de lakenwever, spande zijn draden op het weefgetouw
en weefde het laken tot een voorgeschreven afmeting.
* De volder of voller bewerkte het weefsel om de vezels dichter ineen
te werken. (Het werkwoord vollen is hetzelfde als vullen.)
* Na het vollen door voetvolders of in de volmolen werd het laken op
'ramen' gespannen om weer opgerekt te worden. Dit waren rechtop in de
grond staande palen met dwarslatten daarop. Aan deze latten en palen
zaten haken zodat het laken tot de juiste lengte en breedte kon worden
opgerekt.
* Vervolgens werd het laken "geschoren": met grote scharen
werden uitstekende pluisjes verwijderd, zodat het vervilte weefsel een
effen oppervlak kreeg.
* Appreteren was het op glans brengen van het laken
* Tussen al deze stappen werden keuringen uitgevoerd die met loodzegels
werden gemerkt.
Het ontbreken van een goede historiografie is voornamelijk te wijten
aan het ontbreken van veel gegevens: grote delen van de gildenarchieven
zijn verloren gegaan.
Het lakenzegel top
In de Goudse "Keuren op de draperie" wordt doeltreffend verwoord
welke functie de lakenzegels hadden. Bij hun aanstelling moesten de
waardijns, degenen die de kwaliteit controleerden, zweren: 'alle laeckenen,
die qualick gheverwet zijn, alle laeckenen, die te groff van hair zijn,
ende alle onghelijcke laeckenen (...) onghesegelt te laeten.' Het loodzegel
diende dus om de hoge kwaliteit te garanderen.
De beste kwaliteit was de puik. Het voorlaken was van mindere kwaliteit.
Op het lood werd aangegeven in welke categorie het desbetreffende laken
viel. De strenge controle zorgde ervoor dat de koper volkomen vertrouwde
op de gegevens die het lood vermeldde zonder het laken zelf aan een
'test' te onderwerpen. Aan het eind van de zestiende eeuw was één
lood niet meer voldoende om alle informatie te bevatten die van belang
was, zoals lengte, kwaliteit, plaats van productie, het verfprocedé.
Als een laken het staallood aangehecht kreeg, was het af. Er mocht niet
meer aan de stof gewerkt worden. Het staallood was weliswaar het laatste
zegel aan het laken, het was zeker niet het eerste. Na iedere deelbewerking
werd het laken gekeurd. 'Die wever of volre of verwer of droechscherer'
deed na zijn werk een lood met zijn huismerk aan de stof om het door
de waardijns te laten keuren. Na goedkeuring hechtten zij er een lood
aan met het stadswapen en kon het laken naar de volgende bewerking,
of terug naar degene die zijn werk niet goed had verricht. In dat geval
werd het lood van een klop -een inslag- voorzien, waaruit de bewerker
af kon leiden wat eraan schortte. Bijvoorbeeld de D duidde op een te
dunne stof.
Het mag duidelijk zijn dat de keurmeesters geen loopje met zich lieten
nemen. Je moest daarom ook niet met slechte kwaliteit aankomen. In het
keurboek stonden in dat geval de straffen al vast. Als het 'laecken
an den raem' geen lood 'creech by sculde van den verwer' ging hem dat
'poene' kosten. Kreeg hij zelfs geen klein lood -de grootte van het
lood speelde dus een rol in de rangorde- dan moest de verver het laken
overnemen voor de prijs van een laken met een 'vol' -lees: groot- lood.
De deelbewerker was dus gewaarschuwd.
De waardijns maakten gebruik van verschillende loden. Verschillend qua
grootte, qua klop en qua afbeelding. Ieder kenmerk van het laken kon
op het zegel aangegeven worden. Illustratief is het volgende voorbeeld.
Wilde men van 'grauwe wol' een voorlaken maken, dan moesten de keurmeesters
'die laeckenen teyckenen mit een sonderlinge loot' .
De deelbewerkers hebben tevens bijgedragen aan de verscheidenheid aan
verschijningsvormen van de loden. Naar vorm zijn de pijp- en pinneloden
te onderscheiden. De pijploden zijn langwerpige loden die om een aantal
draden werden geklemd. Met name wevers maakten gebruik van dit type
lood. Een pijplood van Goudse makelij is niet bekend. De meest voorkomende
loden zijn de pinneloden. Deze bestaan uit twee ronde schijfjes, verbonden
door een lip, die op elkaar werden geklemd. De pin van de ene schijf
paste in het gat van de andere.
Wolkammen top
Het wolkammen met een gewone kam of een speciaal wolkammetje is al zo
oud als het spinnen van wol zelf. Het heeft tot doel de vezels parallel
te leggen en van ongerechtigheden te ontdoen. Het gesponnen resultaat
is een glad gesponnen ruwvezelgaren. Het kammen met als doel kamgaren
te maken is waarschijnlijk in Vlaanderen ontwikkeld rond de 13e eeuw.
Voor het maken van kamgaren is behalve de kamtechniek ook de selectie
van de geschikte wolvezels essentieel. Al sinds de 15e eeuw gebruiken
de Vlamingen Spaanse Wol om fijne kamgarens te maken.
Ook in Nederland gebruikte men oorspronkelijk bij voorkeur lange, lichtgekroesde
wol van Engelse, Schotse en inheemse schapen. De lange vezels werden
voor het kammen niet gekaard. De vacht werd eerst als geheel gewassen,
gedroogd, geopend (=gevlaakt), geplozen en gesmout. Het smouten (met
olie) gebeurde om de wol soepel te maken. De kammen werden voorverwarmd.
Het doel van kammen ter voorbereiding op het maken van kamgaren is dat
de vezels parallel komen te liggen. In het Engeland van de 18e-19e eeuw
genoot een wolkammer wel enig aanzien. Er werd scherp in de gaten gehouden
wie tot het ambacht van kammers toetrad (alleen de oudste zoon van een
kammer mocht toetreden tot het gilde der wolkammers). Het ambacht van
kammer was erg zwaar, de werkomstandigheiden waren ook onplezierig:
stank (zweet, wol), hitte. Dit ongemak werd goed gemaakt door veel bier
te drinken. De kammers waren de best betaalde textielwerkers in de 18e-19e
eeuw. In 1850 werd door Lister een mechanische kammachine ontwikkeld
en was de teloorgang van het ambacht van wolkammer in tien jaar een
feit.
|