| Viltmaken
was van oudsher het ambacht van de nomaden. Zij trokken met hun kamelen,
schapen, geiten en paarden over de steppen zonder vaste woonplaats. Veel
nomadenvolken bewoonden sinds de prehistorie het gebied tussen de poolcirkel
en de subtropen. Ze moesten zich steeds aanpassen aan de zich wijzigende
levensomstandigheden. De eerste prehistorische vondsten dateren uit het Neolithicum (6500-6300 v Chr.) Ook uit de brons- en ijzertijd zijn belangrijke opgravingen gedaan. De beroemdste kunstschatten tot nu toe opgegraven, komen uit de rijke grafheuvels van o.a. Pazyryk in het Altajgebergte in Rusland. Alle vergankelijke materialen zoals vilt, wollen weefsels, zijde, bont en leer zijn daar goed bewaard gebleven. Dit komt door de bouwwijze van de graven, waardoor vorst en ijs toegelaten werden. Omdat de doden begraven werden met hun bezittingen zoals kleding, sierraden, muziekinstrumenten, paarden, paardentuig, ceramiek etc. geven deze vondsten een uitstekend beeld van de nomadische levens- en kunststijl. Het grootst bewaarde overblijfsel in vilt is een hangend tapijt van 4,5x6,5 mtr. Het is nu te zien in de Pzyrykkamer van de Hermitage te Leningrad. Heel interessant voor de moderne viltmakers is om te zien hoe ver de techniek is gevorderd in dit oudste kleed. Het is een onuitputtelijke bron van inspiratie. Het nomadenleven speelde zich bijna helemaal in vilt af. Zelfs hun behuizing, een grote inklapbare tent, was met vilt bekleed en ingericht. Ten onrechte worden deze tenten vaak met yurt aangeduid. De yurt is de plaats waarop de tent staat, of het kampeerterrein, maar nooit de tent. Het frame van de tent was licht, draagbaar en opvouwbaar. Het had een ronde vorm en liep naar boven toe conisch uit. Dit frame, een houten, scharend latwerk, kon een diameter hebben van 6-10 mtr. De ronde vorm was gekozen om de harde wind te kunnen weerstaan. Het frame werd in de winter geheel met vilten kleden bedekt, die op hun beurt weer met geweven banden aan het latwerk werden bevestigd. Dit gaf voldoende bescherming tegen koude, regen en sneeuw. In de zomer werden de vilten muren opgerold. De deuropening werd altijd naar het zuiden gericht. Het rookgat in het midden van het dak bleef 's zomers onbedekt en diende als zonnewijzer. Binnen was een grote leefruimte die was onderverdeeld in een gedeelte voor de heer en vrouw des huizes, de familie en de kinderen, een ereplaats voor hoog bezoek en aparte plaatsen voor mannelijke en vrouwelijke bezoekers. Bij de ingang van de tent hielden de bedienden en de armen zich op, eventueel bij barre kou ook nog wat jongvee. Rondom langs de wanden stonden leren zakken opgesteld met etenswaren en gebruiksgoederen. Ook wel werden bezittingen bewaard in met vilt bedekte houten kisten. Het meubilair was uitsluitend van vilt, de wieg was een hangmat van gevouwen vilt. De vloer was bedekt met versierde vilttaptijten die allen een eigen plaats en betekenis hadden. Als er verhuisd moest worden, werd de tent door een paar mensen in een half uur afgebroken en door 2 kamelen naar de volgende yurt gedragen. Het opnieuw opzetten kostte 1 à 2 uur. |