geschiedenis van het spinnen...
  Het spinnen is na het vilten, de oudste vorm van wol verwerken. Vanaf de tijd, dat de mens zich met veeteelt ging bezig houden -en dat waren in de eerste plaats geiten en schapen- heeft men de huiden, de wol en het haar gebruikt als kleding.
Aan het eind van de vorige eeuw ontdekte een Nederlands archeologisch team bij opgravingen in Calabrië de restanten van de tempel van de Wolgodin.
Men kan zich zo voorstellen dat degene die de schapen hoedde, plukken wol die bijv. aan struiken bleven hangen, over zijn been rolde en er de vezels uit trok om een soort van draad te vormen. Zo'n draad moest wel gelijk worden verwerkt, bijv. door het te vingerhaken, anders rolde het terug. Later werd er met een stokje gesponnen, wat aan één kant spits toeliep: het zgn. herdersstokje. Daarna verzwaarde men het stokje met een ronde steen met een gat in het midden en het stokje kon men laten draaien: de spinsteen (de voorloper van de spintol). Met zo'n tol wordt nog in vele delen van de wereld gesponnen.
In Peru hoeden de kinderen de Alpãca's en spinnen om deze manier de wol. De mannen weven de wol met een heupgetouwtje en de vrouwen breien, zelfs als ze op de bus staan te wachten.
In Engeland heeft een wolkeurmeester een spintol bij zich, pakt een pluk uit de te keuren wol en spint ermee. Daarop baseert hij o.a. zijn keuring.
Vele eeuwen later kwam een zgn. spindelwiel. Dat spinstokje werd horizontaal gelegd tussen twee verticale dragers met een draaischijfje erachter. Men had een soort van tafeltje gemaakt met poten of pootjes. Daarop draaide men met de hand een wiel. Over dat wiel en de schijf liep een touw. En de ene draaide het wiel en de ander spon op het stokje. Dit soort constructie was er in een grote uitvoering, waarbij de twee mensen stonden. En er was een kleine uitvoering die men op tafel zette. Een tafelspindelwiel. Later kwam er ook een tafelspinnewiel. Daarbij moest men wel met de ene hand draaien en met de andere hand spinnen. Dit was er voornl. voor vlas.
In de late middeleeuwen werd in de Zuidelijke Nederlanden (nu België) het trappedaal uitgevonden. Nu kon er één persoon het werk van twee in dezelfde tijd uitvoeren. De ander kon dan de gesponnen wol verven en/of gaan weven. Hierna kwam de vlucht met de klos en het spinnewiel was geboren. Aan de huisvlijt kwam min of meer een einde, toen de textielindustrie op kwam. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het werd veel gedaan en de gesponnen wol werd verwerkt tot kleding of geruild voor eten.
Doordat het spinnewiel in de Nederlanden was uitgevonden, heeft een liggend spinnewiel over de hele wereld nog altijd de naam 'Dutch Wheel" of Saxonie (Saksisch).
Er is ook een staand wiel, waarbij in tegenstelling tot het liggend wiel, de klos boven het wiel draait. Bij de liggende draait het erachter. Een staand wiel heeft in de volksmond de naam 'schippertje' mee-gekregen. Dat komt omdat de vrouwen van de binnenschippers wol of vlas sponnen terwijl er gevaren werd. De woonruimte (het roefje) was erg klein, dus moest het spinnewiel niet zoveel ruimte innemen. Vandaar.
Wereldwijd zijn er ontzettend veel soorten spinnewielen. Al naar gelang de mogelijkheden en aard van de bevolking. Maar men kan het toch grofweg in drie categorieën onderverdelen: een klos aange-dreven type, een vlucht aangedreven type en een dubbelsnaar type.
Het dubbelsnaar type is het meest gebruikt in Europa. De karakteristiek hiervan is, dat de aandrij-vingsnaar twee keer rond het wiel gaat: één keer rond de spilschijf en één keer rond de klosschijf. De kruising van de snaar loopt bij het spinnen ná het wiel. Men kan de snaar spannen door een knop, links achter bij een liggend wiel en bovenop bij een staand, aandraaien.
Vlucht aangedreven systeem. Karakteristiek: een enkel wielsnaar loopt over de spilschijf en brengt zo de vlucht in beweging. De klosfrictie komt tot stand door een aparte snaar, touwtje of nylon draad, die aan beide zijden van de klosschijf aan het spinnewiel vastzit en geregeld kan worden door een stelknop of gewicht. Een vlucht aangedreven systeem is bijv. het Ashfort spinnewiel en de Majacraft uit Nieuw Zeeland.
Klos aangedreven type: alleen de klos wordt aangedreven door de wielsnaar. De vlucht komt in bewe-ging door de draadfrictie. Een apart leertje of touwtje loopt over de spilas en doet dienst als rem. Oude modellen met dit systeem vindt men in Duitsland, Oostenrijk en Noord Italië. In Nederland is Louët er bekend mee geworden.
Spinnen werkt zeer rustgevend. Men laat mensen die overspannen zijn met een spinnewiel werken als therapie.
Bron: Margot Wittendorp